U bevindt zich op: Home Financiën Toelichting op de staat van baten en lasten

Toelichting op de staat van baten en lasten

Resultaat

Over 2014 is een negatief resultaat behaald van € 0,6 miljoen. De belangrijkste elementen die tot dit resultaat hebben geleid zijn:

  • het resultaat uit de normale bedrijfsvoering van per saldo € 0,0 miljoen; hierin is begrepen een overbruggingsbijdrage van de eigenaar voor de exploitatie van de laboratoria;
  • een negatief resultaat op projecten van € 0,9 miljoen en een positief resultaat door lagere kosten bij de door de AWBZ gefinancierde gezondheidsprogramma’s van € 1,2 miljoen;
  • een dotatie aan de voorzieningen van € 1,6 miljoen en een vrijval van € 0,7 miljoen;
  • kosten van € 1,9 miljoen voor activiteiten ten laste van de exploitatiereserve voorgaande jaren;
  • diverse positieve afrekeningen van € 1,2 miljoen;
  • de in de exploitatie verantwoorde voorbereidingskosten voor het SSC Campus van € 4,2 miljoen;
  • een bijdrage van de eigenaar van € 4,9 miljoen ter dekking van overlopende kosten uit 2013.

Het negatieve resultaat komt ten laste van de exploitatiereserve. Het RIVM stuurt op een sluitende dekking vanuit de normale bedrijfsvoering. Het realiseren van de met de eigenaar afgesproken declarabiliteitsnorm en voldoende dekking voor de laboratoriumactiviteiten is hiervoor een voorwaarde. In 2013 was geconstateerd dat voldoende dekking voor de laboratoriumactiviteiten moeilijk gerealiseerd konden worden. Tevens was het tarief niet toereikend om de totale kosten volledig te dekken. In 2014 zijn hierover nadere afspraken gemaakt met eigenaar en (primaire) opdrachtgevers waarmee de condities aanwezig zijn voor een resultaat-neutrale exploitatie vanaf 2015.

Baten

De gerealiseerde omzet moederdepartement omvat de bijdrage van VWS als eigenaar voor het programma strategisch onderzoek en enkele specifieke bedragen (€ 29,0 miljoen) en de bijdrage van VWS-opdrachtgevers (€ 130,0 miljoen). De gerealiseerde omzet is circa € 12,7 miljoen hoger dan geraamd als gevolg van compensatie door de eigenaar van in totaal € 9,5 miljoen aan gemaakte kosten  en additionele opdrachten van VWS-opdrachtgevers (circa € 3,2 miljoen).

In de omzet overige departementen zijn begrepen de bijdragen van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (DG Milieu en Internationaal; Inspectie Leefomgeving en Transport) voor de reguliere onderzoeks- en adviesprogramma’s en voor verstrekte additionele opdrachten (€ 47,4 miljoen), de bijdrage van het ministerie van Economische Zaken voor het reguliere onderzoeks- en adviesprogramma (€ 10,8 miljoen) en de bijdrage van overige departementen voor uitgevoerde werkzaamheden (€ 6,0 miljoen). De feitelijk uitgevoerde werkzaamheden hebben geleid tot de gerealiseerde omzetten. De gerealiseerde omzet overige departementen is € 8,9 miljoen hoger dan geraamd, voornamelijk door een hogere omzet vanuit het ministerie van Infrastructuur en Milieu. Ten opzichte van de begroting is € 10,5 miljoen meer gerealiseerd. Dit komt voornamelijk doordat er in de meerjarenopdracht onderuitputting was uit voorgaande jaren, waarvoor in 2014 in overleg met de opdrachtgever extra werkzaamheden zijn verricht.

De omzet derden bestaat onder andere uit projecten ten behoeve van en gefinancierd door andere nationale en internationale opdrachtgevers, zoals de EU en de WHO (gezamenlijk € 14,4 miljoen). Daarnaast is onder deze post begrepen de declaratie ten laste van de AWBZ voor de kosten van de uitvoering van het Rijksvaccinatieprogramma en de Nationale Hielprikscreening (€ 93,8 miljoen) en voor de vaccinatiekosten ten laste van de Centrale Registratie Entingen Asielzoekers (€ 0,9 miljoen). Tevens is in de post opbrengst derden de omzet van de uitvoering van werkzaamheden voor o.a. reizigersvaccins en bijzondere diagnostiek van € 6,3 miljoen begrepen. Naast de lagere omzet derden uit projecten gefinancierd door andere nationale en internationale opdrachtgevers, is de omzet ten opzichte van de begroting vooral lager door het wegvallen van de facilitaire dienstverlening aan derden op het ALT. In de begroting was nog rekening gehouden met de financiële stromen voor dienstverlening aan NVI, PBL, PDALT en BBIO, waar deze in de realisatie grotendeels zijn weggevallen als gevolg van de overgang van deze services naar PDALT.

Rentebaten en vrijval uit voorzieningen zijn niet begroot in verband met het incidentele karakter van de betreffende posten.

Lasten

De personele kosten komen in 2014 € 6,2 miljoen hoger uit dan de begroting doordat er meer capaciteit nodig is geweest om de gevraagde productie te leveren. De personele kosten als optelsom van de kosten voor eigen personeel, overige personeelskosten en inhuur van andere overheidsorganisatie zijn hoger dan begroot (€ 2,3 miljoen) door een toename van het aantal werkzame FTE binnen het RIVM (van circa 1.344 per jaareinde 2013 tot 1.380 per jaareinde 2014). Deze toename van medewerkers hangt samen met het omzetten van payrollcontracten naar overheidscontracten.
Daarnaast is er sprake van een hogere inhuur dan begroot van € 3,9 miljoen. In de begroting is uitgegaan van circa 10% inhuur waar 13,5% is gerealiseerd. De belangrijkste oorzaken voor de gestegen inhuur zijn als volgt: a) een hogere externe inhuur voor de uitvoering van de bevolkingsprogramma’s doordat men voorzichtig is in het aannamebeleid vanwege de lopende  reorganisatie en daardoor optredende wijzigingen in standplaatsen, b) de voorbereiding van de oprichting en start van SSC-Campus, een onder de verantwoordelijkheid van de DG RIVM ressorterend samenwerkingsverband van RIVM en KNMI voor ICT-dienstverlening, c) een flexibele capaciteitsinzet op onderzoeks- en adviesprojecten en d) de inrichting en invulling van de IUC-rol voor laboratoriumbenodigdheden van deelnemende ministeries.

De belangrijkste oorzaak voor de lagere materiële kosten van € 6,0 miljoen is de daling van de huurkosten van het ALT-terrein van circa € 6,7 miljoen. Deze daling hangt samen met het wegvallen van huurkosten voor derden partijen na de overgang van deze dienstverlening naar BBio. Afschrijvingskosten zijn door investeringen in 2014 gestegen ten opzichte van 2013 (€ 0,4 miljoen), echter minder hard dan voorzien in de begroting (€ 1,1 miljoen) als gevolg van een groter aandeel volledig afgeschreven activa waarop niet langer wordt afgeschreven. De voorzieningen zoals gevormd in 2014 voor personele kosten (€ 1,1 miljoen) en verlieslatende projecten (€ 0,5 miljoen) zijn niet begroot, maar liggen in lijn met 2013 en vormen als zodanig geen bijzonderheid voor het RIVM.

 

Service